Geïnteresseerd in geschiedenis? Haal hier je hart op!

Archive for the ‘Column van Martijn’


EEN VERSTANDSHUWELIJK VOL RUZIE TEN EINDE

Door: Martijn Samson

Van mekaar meugen ze niet, bij mekaar deugen ze niet”. Zo sprak ooit de allereerste VVD-leider Pieter Oud, toen hem gevraagd werd naar de verhouding tussen christenen en sociaaldemocraten. Ook dit keer heeft het Rood-christelijke verstandshuwelijk geen stand gehouden. Het vierde kabinet van Balkenende in acht jaar, viel over een relatief pietluttig onderwerp. We schrijven de ergste economische crisis in tachtig jaar en onze regering valt door politieke spelletjes.

Sinds de Tweede Wereldoorlog is het een aantal keer geprobeerd, maar slechts in twee gevallen haalde een Rood-christelijke coalitie de eindstreep: onder leiding van de grote PvdA-voorman Willem Drees en in het derde kabinet van Ruud Lubbers. Waarom verloopt dit soort kabinetten zo moeizaam?

Het CDA – en haar voorgangers – zijn gematigd rechts, de PvdA bevindt zich links van het midden. Op economisch vlak levert dit als vanzelf de nodige spanningen op. In het laatste kabinet Balkenende draaiden crises niet zelden om de economie: de verhoging van de AOW-leeftijd, de versoepeling van het ontslagrecht, de beperking van de hypotheekrenteaftrek en het gepruttel dat volgde op de kredietcrisis, zijn daar slechts enkele voorbeelden van.

Ook met betrekking tot veiligheid en integratie komen sociaaldemocraten en christendemocraten de laatste jaren lang niet altijd overeen. Ten tijde van Lubbers III viel de minderhedenproblematiek nog te ontkennen door alles onder de mantel van het multiculturalisme te vegen, maar dat is tegenwoordig niet meer mogelijk. Het CDA hecht belang aan de Nederlands identiteit en de rol van het christendom daarbinnen; onderwerpen die bij veel PvdA’ers nog altijd tot scheve blikken leiden.

Ter ontkenning van dergelijke argumenten wordt vaak verwezen naar de Paarse kabinetten. Ook deze waren immers opgebouwd uit ondermeer de rechtse VVD en de linkse PvdA. Het verschil is dat wanneer het gaat om ethische kwesties, het liberalisme en de sociaaldemocratie elkaar vinden. Weliswaar heeft ook de PvdA een aanzienlijke christelijke vleugel – zelfs Wouter Bos stamt uit een gereformeerd gezin – met betrekking tot ethiek spreken PvdA en CDA verschillende talen.

Voordat dit kabinet goed en wel geboren was, werd de grafsteen al gelegd. CDA en VVD waren uitgeregeerd, er waren weinig problemen en de economie draaide goed. Als het zo zou doorgaan, kon het kabinet de eindstreep gemakkelijk halen, moeten Bos, Balkenende en Rouwvoet in Beesterzwaag gedacht hebben. Het moment dat zich problemen voordeden, stond het kabinet direct onder spanning. De problemen in de regering leken geregeld groter dan die in het land. Dat zegt – zo vlak voor de gemeenteraadsverkiezingen – het nodige over het huidige politieke klimaat.

Grote kanshebber de verkiezingen te winnen is vanzelfsprekend Geert Wilders. Toch valt te betwijfelen of zijn aanwezigheid een grote impact heeft op het volgende kabinet. Buiten het feit dat burgers in crisistijd vaak geneigd zijn vlak voor de verkiezingen terug te trekken naar de traditionele partijen, is het zeer de vraag wie met de PVV een coalitie wil vormen. Volgens éminence grise Bolkestein (VVD) en oudgediende Lubbers (CDA) zitten de desbetreffende partijen geenszins te wachten op een coalitie met Wilders. Driestromenland stroomt leeg, maar niet zonder slag of stoot.

Wilders – die zich ongetwijfeld bewust is van deze netelige situatie – gaf daarom recentelijk aan graag gedoogsteun te willen geven aan een minderheidskabinet van CDA en VVD. Daarbij verwees hij naar Denemarken, waar het centrumrechtse kabinet al jaren gedoogsteun krijgt van de Deense Volkspartij; het Deense equivalent van de PVV. Toch lijkt zelfs een CDA-VVD-PVV-coalitie geen meerderheid te halen. Daar ontwaart zich het werkelijke probleem.

Als we opiniepeiler Maurice de Hond mogen geloven, halen de zeven grootste partijen op dit moment een zetelaantal dat varieert van zevenentwintig tot dertien. Welke partij ook de grootste wordt, een kabinet formeren lijkt moeilijker dan ooit. Dit effect wordt nog versterkt door het groeiende D66. Haar succes is mede te danken aan het feit dat ze de PVV met man en macht bestrijdt. Kennelijk kunnen de zeven grootste partijen het onderling totaal niet vinden. Een kabinet met vier partijen is allesbehalve ondenkbaar, maar evengoed allesbehalve wenselijk.

Het huidige kabinet functioneerde niet. Het aantal slappe compromissen was dusdanig hoog, dat van een solide coalitie geenszins sprake was. Wie met dit gegeven in het achterhoofd naar de peilingen kijkt, wordt hoe dan ook overvallen door een gevoel van politieke moedeloosheid. Wellicht zal een partij als de PVV daar garen bij spinnen, het toont niettemin aan dat daarvan weinig te vrezen valt. Zou iemand deze chaos vijftien jaar geleden hebben zien aankomen? Pim Fortuyn schreef over De puinhopen van acht jaar Paars, maar als hij had geweten wat daarna volgde, zou hij Paars vast zo gek nog niet hebben gevonden. Door het fenomeen van de zwevende kiezer, is het zinvol te filosoferen over iets als een kiesdrempel. Niemand zit immers te wachten op nog een verlamd kabinet.

DE CULTURELE REVOLUTIE VAN 1968

Door: Martijn Samson

EEN AFREKENING MET AUTORITEIT, OF EEN AFREKENING MET ALLES?

Op het moment dat een groep zelfvoldane, schreeuwende patjepeeërs een museum binnenstormt, weigert entreegeld te betalen, de boel kort en klein slaat en als klap op de vuurpijl besluit de overgebleven glasscherven en houtsplinters te vereren als kunst – onder het mom van de subjectiviteit daarvan – dan doet dat ongetwijfeld de nodige wenkbrauwen fronsen. Toch is in Nederland de communis opinio nog altijd een lofzang op de culturele revolutie van 1968. Die cultivering is op z’n minst eigenaardig.

De brandhaard van de studentenopstanden uit het revolutiejaar, bevond zich – zoals gewoonlijk – niet in Nederland. Toch sijpelde veel van de marxistisch-leninistische retoriek ons land binnen. Als een soort voorloper op het latere postmodernisme werden waarden als relativisme en subjectiviteit sterk op de voorgrond geplaatst. Geheel in socialistische stijl volgde daaruit dat autoriteit en hiërarchie nooit vanzelfsprekend konden zijn. Die mening zal voor velen vandaag gemeengoed zijn, toch schoot zij destijds volledig door.

Door naïevelingen wordt de culturele revolutie vaak gezien als democratisering van de democratie. In wezen dienden alle instituten in de maatschappij hun legitimiteit aan een vorm van democratie te ontlenen. Nu ben ik de laatste te ontkennen dat dit in bepaalde sectoren prima werkte, mits op verstandige schaal toegepast. Waar het echter mis ging – en dat speelde in ’68 een belangrijke rol – is dat democratisering van het onderwijs een contradictio in terminis is.

Het hele principe van onderwijs is dat bepaalde kennis door een autoriteit wordt overgedragen op een andere groep. Dankzij de meritocratie bestaat de bereidheid de één op een bepaald punt meer autoriteit te verschaffen dan de ander. Wanneer opstandige studenten dat proberen ongedaan te maken via een populistisch ‘one-man-one-vote’-systeem, verdwijnt de essentie van het onderwijs. Op een universiteit kun je studenten niet evenveel waard achten als professoren, omdat de relatie tussen beide groepen primair gebaseerd is op ongelijkheid. Gelukkig.

Zolang autoriteit binnen het onderwijs is gebaseerd op meritocratie, is er geen probleem. Ongetwijfeld zal de periode voor 1968 niet perfect zijn geweest, maar de essentie van de studentenbeweging was een ontkenning van deze meritocratie. Zij verwierp autoriteit en daarmee automatisch kernwaarden als kennis en geleerdheid. Dergelijke waarden aan een universiteit negeren, is het kind met het badwater weggooien. Het populaire beeld van de soixante-huithards ­is nog altijd dat zij een einde maakten aan de verstikkende hiërarchie en autoriteit niet meer vanzelfsprekend werd. Niet alleen wordt op deze manier genegeerd waar gezag uit voortkomt, ook wordt niet ingegaan op waar zo’n strijd toe leidt. Kennis werd een subjectief gegeven en daarmee waardeloos.

Bovendien is meritocratie niet in tegenspraak met democratie: eerder zijn het twee noodzakelijke elementen. Dankzij het democratische systeem is de burger in staat haar stem te laten horen, wanneer het gaat om het openbaar bestuur. Dankzij meritocratie is diezelfde burger in staat eventuele hoge – al dan niet gekozen – posities te vergaren. Democratisering van de democratie, zonder daarbij het belang van meriten te erkennen, leidt tot een eindeloze egalisering. Het gaat uit van het typisch socialistische standpunt dat de mens niet gelijkwaardig is, maar gelijk. Deze absolute gelijkheid kan alleen geveinsd worden, door al het objectieve te relativeren. Eén blik op de werkelijkheid is echter genoeg te zien dat geen enkel mens gelijk is.

De opstandelingen van 1968 zijn natuurlijk niet automatisch de schuldige aan de onderwijshervormingen – met de typisch relativistische waarden – die het onderwijs de afgelopen decennia zo hebben verpest, toch handelden zij grotendeels in lijn met de geest van ’68: algehele egalisering. Docenten worden vandaag de dag op sommige scholen zelfs ‘leerlingen’ genoemd, omdat ook zij elke dag leren. Het zou lachwekkend zijn als het niet zo belangrijk was. In zijn boek Waar zijn de intellectuelen? (2004) behandelt de Brit Frank Furedi (1947-) talloze voorbeelden van dit zelfverraad binnen het onderwijs.

Niet alle onderwijsveranderingen sinds de jaren zestig zijn slecht. Inspraak van studenten is absoluut noodzakelijk, het onderwijs was voor de jaren zestig evengoed verre van perfect. De typische waarden als egalitarisme, absolute gelijkheid, subjectiviteit en relativisme, hebben de essentie van onderwijs echter afgebroken. Vandaag de dag betreurt iedereen de bedroevende staat van ons onderwijssysteem, maar niemand is kennelijk bereid te wijzen naar 1968. Misschien is het wachten totdat de babyboomers – de studenten van weleer – zijn opgerot. Zij weten immers prima dat ze destijds fout zaten, gezien de maatschappelijke posities die zij vandaag de dag bekleden. Zij zouden vandaag de eerste zijn de beschuldigende vinger te wijzen naar een groep die de maatschappelijke orde op schromelijk overdreven manier verstoort. Het museum had niet kort en klein geslagen hoeven worden, een kleine herschikking was voldoende geweest.

HET FAILLIET VAN DE PVDA

Door: Martijn Samson

SCHULDIGE AAN ALLE PROBLEMEN OF TEN ONDER AAN EIGEN SUCCES?

Wouter Bos is in wezen niets meer dan een reïncarnatie van Gerrit Zalm. Hij is de bankier van het kabinet, maar tevens leider van de Partij van de Arbeid. De partij die onder aanvoering van Joop den Uyl destijds streed tegen alles dat riekte naar grootkapitaal. Het is te eenvoudig te concluderen dat het grote verlies van de PvdA ongedaan te maken is, door terug te grijpen op de oude, linkse idealen van Den Uyl. Niettemin verkeert de PvdA in zwaar weer: de peilingen zijn onverminderd slecht en de richtingenstrijd wordt op straat uitgevochten. Een analyse over de ondergang van de sociaaldemocratie.

Vanaf de Verlichting werd het liberalisme beschouwd als emancipatoire beweging. De vrijheid en de gelijkwaardigheid moesten een sterk tegenwicht bieden aan de conservatieve Ancien Régimes. Daar kwam in de loop van de negentiende eeuw verandering in. Het socialisme ontstond in eerste instantie voornamelijk om op te komen voor de groeiende arbeidersklasse, waardoor zij de emancipatoire functie van de liberalen overnam. In Nederland speelde mee dat ook de confessionele stromingen zinspeelden op emancipatie, hetgeen mede tot uiting kwam in de Schoolstrijd. Zo voelde de arbeidersklasse zich doorgaans sterk verwant met de socialistische beweging. De Verzuiling hield dat principe lange tijd in stand.

Ik durf wel te stellen dat het socialisme in de twintigste eeuw de meest invloedrijke stroming is geweest. In grote delen van de wereld kwam dit tot uiting via het communisme, terwijl het in de jaren dertig in Duitsland dominant werd via het nationaalsocialisme. De meest interessante en duurzame vorm is echter de sociaaldemocratie in – voornamelijk – West-Europa gebleken. Hoewel dit deel van de wereld als tegenwicht moest dienen op het communistische Oosten, is het dankzij de sociaaldemocratie dat de twintigste eeuw in West-Europa vele socialistische trekken vertoonde. Het laissez-faire van de liberale negentiende eeuw, werd vervangen door een primair corporatistisch systeem. Een belangrijk voorbeeld is de Verzorgingsstaat, die zo omvangrijk werd dat dit uiteindelijk voor diverse problemen zorgde.

Daar is ook direct de omslag in de sociaaldemocratie te vinden. Velen waren in de jaren tachtig de mening toegedaan dat de belangrijkste linkse idealen verwezenlijkt waren. Op het gebied van de klassenstrijd, gelijkwaardigheid, vrijheid en solidariteit, was grote vooruitgang geboekt. Hierdoor verwerd de sociaaldemocratie van een progressieve stroming tot een conservatieve hoeder. De neoliberalen voelden de tijdsgeest – het was eveneens het einde van de Koude Oorlog – wat dat betreft goed aan. Het liberalisme kon het progressieve karakter dat ze had verloren, in elk geval op economisch gebied terugwinnen.

Hoewel velen er nu om lachen, waren de voorspellingen van liberalen in de jaren negentig – ‘de sociaaldemocratie en de christendemocratie komen in een stervensfase’- geenszins vreemd. Op economisch gebied was het oude, linkse ideaal onvoldoende te handhaven en op het gebied van de vrijheden kwamen liberalen en sociaaldemocraten goed overeen. Niet voor niets resulteerde dit in de Paarse kabinetten. Onder leiding van Wim Kok besloot de PvdA haar ‘ideologische veren’ vaarwel te zeggen en een quasiliberale koers te varen. Het sporadische gesputter over ‘exhibitionistische zelfverrijking’ van bankiers overtuigde nauwelijks.

De christendemocratie is vooralsnog levend. Afgezien van de – te betreuren – hernieuwde interesse in religie, blijken veel mensen behoefte te hebben aan een sterke invloed van normen en waarden. De globalisering en de ontzuiling hebben mensen onzeker gemaakt. De islamitische minderheid speelt bij beide punten mee. Autochtone Nederlanders zien hun cultuur bedreigd, terwijl de islamitische minderheid opvallend positief staat tegenover de religieuze boodschap van het CDA. De ‘C’ in CDA wordt door veel moslims eerder als religieus dan als christelijk beschouwd.

Helaas is ook het traditionele liberalisme in het defensief gedrongen. Juist de globalisering – in de jaren tachtig en negentig nog zo aangemoedigd – hebben ertoe geleid dat mensen behoefte hebben aan debatten over de Nederlandse identiteit. Hoewel de christendemocratie daar bij te winnen heeft, steunde zij in het verleden het economisch neoliberalisme. Voor veel mensen is de traditionele koers van de partij kennelijk onvoldoende overtuigend. Zij kiezen voor populisten die menen voort te komen uit de liberale beweging. De typisch emancipatoire begrippen als vrijheid en gelijkheid, hebben zij gretig overgenomen. Maar de manier waarop deze begrippen door zowel de liberalen als de socialisten ooit bedoeld waren, werpen de populisten verre van zich.

Zo staat de PvdA met lege handen. Populisten ter linker- en ter rechterzijde bekritiseren de globalisering in al haar facetten en – derhalve – de huidige sociaaldemocratie. Teruggrijpen naar haar oorspronkelijke wortelen lijkt onrealistisch: de retoriek van Den Uyl is duidelijk uit een vorige eeuw. Hoewel de sociaaldemocratie te lijden heeft onder de populisten, voorzie ik – zoals gesteld – eveneens grote problemen voor het liberalisme en de confessionelen. De tijd zal leren wat er uiteindelijk uitkomt. Wat betreft de sociaaldemocratie kan echter gerust worden gesteld dat ze ten onder is gegaan aan haar eigen succes. En nu kan ze niet meer voor- of achteruit. Tja.

“WAAROM ZOUDEN WE GOED LEVEN, ALS GOD NIET BESTAAT?”

Door: Martijn Samson

ALS HET WESTEN AL EEN SCHULDCULTUUR KENT, KOMT DAT NIET DOOR HET CHRISTENDOM

De Islamitische wereld kent een schaamtecultuur, het Westen een schuldcultuur. Het is een hardnekkig cliché dat steeds weer de kop op steekt. Evengoed een grijsgedraaide langspeelplaat is de kritiek die er op het onderscheid tussen schaamte- en schuldculturen wordt geuit. Een ander typisch vooroordeel is het veronderstelde gebrek aan moreel besef bij atheïsten of in sterk geseculariseerde samenlevingen. Op het eerste gezicht lijken beide clichés weinig met elkaar van doen te hebben, maar niets is minder waar.

Het was de Amerikaanse Ruth Benedict die net na de Tweede Wereldoorlog het begrip schaamtecultuur introduceerde. Haar theorie had echter niets van doen met de Islamitische wereld, maar met Japan. De beste dame vroeg zich af hoe het toch kon dat Japanners zich zo voorbeeldig leken te gedragen. Benedict’s stelling was dat de sociale controle ervoor zorgde dat de mensen in het gareel werden gehouden. In de Verenigde Staten daarentegen, gedroeg men zich ook zonder deze controle moreel, omdat de diepgelovige Amerikanen geen verantwoording aan hun buren, maar aan God aflegden. Ziehier het verschil tussen de schaamtecultuur van Japan en de schuldcultuur van de Verenigde Staten. Het zal niemand overigens verbazen dat de Benedict christelijk was.

In latere jaren werd het begrip schaamtecultuur, zoals gezegd, ook op de islamitische wereld geplakt. Het zou moslims gaan om de schone schijn. Zo zouden bijvoorbeeld zaken als eerwraak en de innige familierelaties verklaard kunnen worden. Op het eerste gezicht klinkt dit plausibel en het is derhalve niet verwonderlijk dat velen het zonder al teveel motivatie overnemen. Zo schreef mijn politieke held Frits Bolkestein recentelijk plompverloren in de Volkskrant “De islamitische beschaving kent een schaamtecultuur, het christendom is een schuldcultuur”.Volgens Bolkestein liggen “parallel aan die zelfbeschuldiging […] in het christendom zelfkritiek en zelfrelativering besloten.” De liberaal concludeert uiteindelijk dat de Westerse beschaving superieur is aan de islamitische.

Het is een gewaagde uitspraak, maar ik kan Bolkestein geen ongelijk geven: ook ik beschouw de Westerse cultuur als superieur. Het Westen bracht vrijheid, gelijkwaardigheid, meritocratie, democratie en een scala aan andere zaken. Toch maakt Bolkestein een denkfout wanneer hij dergelijke waarden toeschrijft aan het christendom. Juist de mensen die een kritische distantie tegenover religie aannamen, gaven impulsen aan de wetenschap en aan het Verlichtingsdenken. De kerk – zowel de protestantse als de katholieke – heeft in het verleden nooit actief aangedrongen op secularisme, tenzij het haarzelf uitkwam.

Natuurlijk is de islamitische cultuur een schaamtecultuur, maar hetzelfde geldt voor het Christendom-an-sich. Dat komt tot uiting in het tweede cliché dat ik in de inleiding benadrukte: de idee dat atheïsten geen fatsoenlijk moreel besef hebben. Het is een typisch retorische vraag van christenen het bestaansrecht van hun geloof te verdedigen middels de volgende vraag: “als er geen God is, waarom zouden we dan goed zijn?” Een dergelijke vraag is natuurlijk de hypocrisie zelve, daar zij veronderstelt dat de enige reden dat gelovigen zich moreel juist gedragen is, omdat God een oogje in het zeil houdt. Gelovigen die met een dergelijke vraag op de proppen komen, erkennen dat ze zonder God losbandig zouden zijn.

Precies deze kwestie toont aan dat het Christendom helemaal geen schuldcultuur is. Het enige verschil tussen de Islam en het Christendom is kennelijk dat christenen zich schamen voor God, terwijl muzelmannen zich schamen voor hun omgeving. Dat laatste waag ik overigens te betwijfelen: ik denk dat veel moslims – afgezien van hun omgeving – eenzelfde houding tegenover God betrekken als christenen, maar dat laat ik verder voor wat het is.

Richard Dawkins beschrijft in “The God Delusion” een voorval in Montreal dat plaatsvond in 1969. Een politiestaking aldaar zorgde ervoor dat er die dag op grote schaal werd geplunderd, gestolen en zelfs werd gedood, waardoor het leger uiteindelijk moest ingrijpen. Dat het grootste deel van de inwoners gelovig was, valt statistisch te onderbouwen. Zo concludeert Dawkins – in mijn ogen terecht – dat mensen eerder behoefte hebben aan de politie dan aan God, om in het gareel gehouden te worden. Hij gaat zelfs zo ver te beweren dat atheïsten vermoedelijk meer moreel besef hebben dan gelovigen, omdat zij aan niemand dan henzelf verantwoording afleggen. Gelovigen gehoorzamen immers voornamelijk God. Uit onderzoek komt tevens naar voren dat ethisch besef in grote lijnen universeel hetzelfde is, zonder dat religie daar een significante invloed op heeft. En als het al invloed heeft, is deze kennelijk geenszins positief.

Wellicht zegt Bolkestein terecht dat het Westen een schuldcultuur heeft, maar dat is dan niet omdat het Christendom hier een prominente plaats heeft, maar omdat we religie tot privéaangelegenheid hebben gemaakt. Ieder individu is tot op zekere hoogte vrij zijn of haar normen en waarden te kiezen en elk mens moet rekenschap aan zichzelf afleggen. Dát zou een reden kunnen zijn voor de Westerse schuldcultuur. Het Christendom en de Islam, als wel andere vergelijkbare religies, bepleiten ethiek echter alleen omwille van de Goddelijke autoriteit. Gelovigen die dat ontkennen, moeten zich terdege realiseren dat hun absolute morele besef dan niet voortkomt uit hun religie, maar uit een universeel menseigen ethiek. Begrippen als schaamtecultuur en schuldcultuur, zijn wat dat betreft ontzettend relatief.

Behandel de Islam als iedere andere godsdienst

Door: Martijn Samson

Terecht hebben linkse politici zich sinds jaar en dag veelal hevig verzet tegen de dogmatische invloeden van religie. Terecht wijzen seculiere politici op de scheiding van kerk en staat in de Westerse wereld. Terecht zien niet-religieuze denkers de invloed van religie op het publieke domein graag ingeperkt. En terecht dat veel van hen niet vies zijn van enige functionele provocaties. In dat opzicht, niets dan hulde. Toch ontstaat de laatste jaren een curieuze kink in de kabel. Hoe zit dat?

De verhouding tussen geestelijkheid en wereldlijke macht is altijd complex geweest. In de twaalfde eeuw was de scheiding tussen kerk en staat veel groter dan in de zestiende eeuw, niettemin was in deze laatste periode de invloed van de kerk tóch beperkter. We spreken onder andere van de Reformatie, die de kerk spleet, als belangrijke factor. Omdat seculiere staatshoofden hun invloed op de kerk in hun land graag wilden doen gelden, werd de kerk betrokken bij de staat. Zo ging het kerkelijk systeem – dat in de eeuwen ervoor doorgaans een sterker ontwikkelde organisatie leek te hebben dan “staten” zelf – door een proces van uitholling. De sterke positie van de katholieke kerk was een stuk minder, terwijl de integratie van de kerk in de staat groter was. Een opmerkelijke paradox.

In de Islamitische wereld zien we een vergelijkbaar proces: in de eerste eeuwen van de Islam vielen moskee en staat goeddeels samen. Maar na een lange periode van fragmentatie verloor de Islam haar wereldlijke macht. Dat is wellicht tegengesteld aan Europa: daar werd de macht van de kerk juist sterker door haar onafhankelijke positie. Niettemin zien we vanaf de vijftiende eeuw dat de sultan van het Ottomaanse Rijk zich profileerde als beschermheer van de Islam. Hij, als wereldlijk vorst, wilde eveneens de personificatie van de geestelijke macht zijn. Zo werden de religieuze specialisten tevens ingekapseld in het rijk. En ziehier, religie en staat integreren.

De verhouding tussen godsdienst en staat is kennelijk altijd veranderlijk geweest, maar de Europese Verlichting en Franse Revolutie betreffen een fundamentele breuk. Religie werd sindsdien steeds meer gezien als een persoonlijke aangelegenheid en het begrip secularisatie, kreeg de betekenis die het vandaag de dag heeft. Het gaat niet alleen om differentiatie van kerk en staat of om het toestaan van meerdere godsdiensten: het gaat om de neutrale houding van de overheid jegens levensbeschouwingen.

De Islam als zodanig heeft de Verlichting nooit werkelijk doorgemaakt. Hoewel veel moslims tot in de twintigste eeuw slechts nominaal gelovig waren zien we de laatste decennia twee ontwikkelingen: het fundamentalisme, de “ware” Islam, wint terrein en de Islam verspreidt zich middels migratie verder over Europa. Veel Middenoosterse regimes zijn weliswaar in naam seculier, door de alomvattende leer van de Islam is haar integratie in de staat vaak groter dan dat het op het eerste gezicht doet voorkomen.

Dat vormt een serieus probleem voor Europa: hoe om te gaan met de Islamitische minderheid? Gelukkig kunnen we constateren dat veel moslims niet uit zijn op een Europees-islamitische theocratie. Moslims zijn vaak wel sneller beledigd dan christenen. Bepaalde denkers durfden dat taboe te doorbreken (Bolkestein, Fortuyn), sommigen houden het op beledigen om te beledigen (Janmaat, Wilders). Helaas zijn er ook politici en andere opiniemakers voor wie dit onderwerp een no-go area betreft. Deze overwegend linkse politici, die vooraan in de rij stonden als het ging om uitbanning van het Christendom uit de staat, zwijgen nu in alle toonaarden omdat ze de “medelanders” niet voor het hoofd willen stoten.

Dat is niet alleen hypocriet, het is ook nog eens schadelijk voor de staat. Het seculiere karakter dat de staat kenmerkt is hard voor gevochten en dat mag niet zomaar teniet worden gedaan door op drift geraakte immigratiestromen. Europa – en specifiek Nederland – staat sinds jaar en dag bekend om haar religieuze tolerantie. Daarom is het goed dat wij geen onderscheid maken op basis van religie. Maar ook het Vrije Woord is afkomstig van dit continent. Op het moment dat zaken die wel over het Christendom gezegd worden, niet over de Islam gezegd kunnen worden, dan wordt er echter wél onderscheid gemaakt op basis van religie. Links tast daarmee niet alleen de vrijheid van meningsuiting aan, maar ook de godsdienstvrijheid. De ene religie blijkt kennelijk ineens meer waard dan de andere. Voor hen die denken dat dit onderwerp achterhaald is: welke linkse politicus durft fundamentele kritiek op het wezen van de Islam te uiten? Zo kan het dus zijn dat idealen waar mede door links hard voor is gestreden, door datzelfde links worden verkwanseld. En waarom? Alleen om enkele Salafisten niet voor het hoofd te stoten!

Het hypocriete gelijk van het Westen

Door: Martijn Samson

Laat ik voorop stellen dat ik veel bewondering heb voor het Westen. Weinig culturen hebben het voor elkaar gekregen in een paar eeuwen tijd de gehele wereld een fundamenteel ander aangezicht te geven. Geen enkel systeem heeft zoveel economische groei opgebracht als het Westerse en geen enkel land heeft een beter uitgedacht intellectueel concept dan het Westen. Dit alles leidt echter tot een ergerlijk soort zelfgenoegzaamheid. Wij, het Westen, denken de rest van de wereld de les te kunnen lezen over hoe de zaken aan te pakken. Soms is dat buitengewoon hypocriet. Waarom?

Dertig jaar geleden had nauwelijks iemand het durven voorspellen, vandaag de dag is het een evidente waarheid: China is op weg naar de top. Dat is op z’n minst opmerkelijk te noemen. Zo’n zestig jaar geleden leken de dagen van het eens machtige Rijk van het Midden geteld. De communistische partij van Mao Zedong kreeg de touwtjes in handen en alsof dat nog niet erg genoeg was had Mao wat persoonlijke trekjes die hem geen consistent leider maakten. Hoewel, in het formuleren van falend beleid was hij behoorlijk standvastig.

Sinds bepaalde delen van China eind jaren zeventig door Deng Xiaoping – die ik als held beschouw – werden opengegooid, ging het erg snel met de groei. Het is jammer dat de beste Deng er nooit een Nobelprijs voor heeft gehad (de bekende internationale betrekkingendeskundige Kishore Mahbubani denkt er wat dat betreft hetzelfde over). Kennelijk waren de studentenopstanden van 1989 voor het Westen belangrijker dan de miljoenen Chinezen die hij uit de armoede heeft gehaald. Zie hier een belangrijk hypocriet aspect van het Westen: zelf hebben we er eeuwenlang over gedaan mensenrechten te waarborgen – en bepaalde landen hebben daar zelfs vandaag de dag moeite mee – maar in China moet het in een mum van tijd geregeld zijn.

Nu is China een zeer innovatieve economie. Niet alleen vanuit technologisch oogpunt, ook met het oog op de kenniseconomie. Het land heeft op dit moment de meeste promovendi ter wereld. Qua industrie vindt er eveneens het nodige plaats. Maar meer dan boerenverstand is er niet voor nodig te begrijpen dat een economie die zo snel groeit niet alleen op innovatieve, groene energie kan draaien. Om te zorgen dat de lichten in al die Chinese huizen blijven branden, is er snel, veel en goedkoop elektriciteit nodig. Het resultaat is dat de overheid maandelijks maar liefst vijf nieuwe kolencentrales bouwt.

Voor de reductie van CO2-uitstoot is dat niet bepaald bevorderend, maar voor de gewone Chinese man (en dus de overheid die maar wat bang is voor opstanden) zijn elementaire voorzieningen als elektriciteit wellicht nét wat belangrijker dan het Kyoto-verdrag. China zit nauwelijks enkele decennia in haar lineaire moderne economische groei en het Westen begint te mekkeren. Hoe hypocriet van uitgerekend dat gebied dat ervoor heeft gezorgd dat de CO2-uitstoot zo ongelooflijk hoog is in de eerste plaats!

Hoe kan het Westen nu verwachten dat , terwijl ze zelf tweehonderd jaar geen poot naar het milieu heeft uitgestoken, China haar zaakjes binnen luttele jaren op orde heeft. Dat kan men nauwelijks van een land vragen. Het land ontwikkelt zich in dit opzicht op een volstrekt logische en normale manier die sociologisch gezien veel overeenkomsten met het Westen vertoont. Waar halen wij dan in hemelsnaam de hypocrisie vandaan daar zo intens belerend over te doen? Gaan wij andere landen er nu de schuld van geven dat wijzelf een puinhoop van het klimaat hebben gemaakt? (Als alle klimaatverhalen überhaupt kloppen!)

Hetzelfde zien we als we kijken naar mensenrechten en democratie. Europa en Amerika hebben er de mond van vol hoe China zo snel mogelijk een democratie moet worden. Natuurlijk moet China een democratie worden, maar dat betekent toch niet dat zoiets over één nacht ijs dient te gebeuren? Chinezen zijn ook niet achterlijk. Het Westen heeft er na de val van de Sovjet-Unie op aangedrongen dat Rusland direct een democratie zou worden. Wat heeft dat tot een geweldige effecten geleid! Een destabilisering van de politieke situatie, een desintegratie van de economie, een grote terugloop in welvaart en welzijn: echt een goed voorbeeld voor China!

Democratie is in eerste instantie geen waarborg voor economisch succes. Als we naar Azië kijken zien we landen die democratisch zijn maar er niettemin een puinhoop van maken (Filippijnen), maar ook ondemocratische landen die het erg goed doen (China). Andersom kan het natuurlijk ook, hetwelk alleen maar aantoont dat democratie niet het belangrijkste is. China zal uiteindelijk vast een democratie worden, maar waar halen wij het hypocriete lef vandaan – na er zelf eeuwen over gedaan te hebben – China te vragen onmiddellijk democratisch te worden? Bemoei je met je eigen zaken, zou ik bijna zeggen!

AOW: óók de volgende generatie verdient een kans!

Door: Martijn Samson

Dat politici huichelachtig zijn, staat buiten kijf. Het wordt maar weer eens duidelijk in de discussie over de verhoging van de AOW-leeftijd. Hoe sommige politici het toch over hun hart kunnen verkrijgen, een maatregel die bedoeld is ter behoud van deze sociale zekerheid, af te schilderen als asociaal. Maar dat zijn de hervormers niet. Het zijn de eeuwige ‘nee-zeggers’ die van solidariteit geen kaas gegeten hebben, die Nederland compleet lamleggen. Waarom?

Ten eerste is kennelijk iedereen vergeten hoe de Algemene Ouderdomswet oorspronkelijk bedoeld was; de pensioensgerechtigde leeftijd zou meegroeien met de gemiddelde levensverwachting. Daar zit geen woord Spaans bij, dat is compleet logisch. Als we ons aan dat beleid hadden gehouden, hadden we nu pas op ons tweeënzeventigste kunnen uittreden. In dat licht bekeken is zevenenzestig dus heel gematigd. Als we vijfenzestig heilig verklaren, is dat zeer asociaal om twee redenen: de babyboomers treden over enkele jaren uit en de levensverwachting neemt toe. Dat betekent dat de collectieve lastendruk voor werkende mensen stijgt. Maar als we de SP, de FNV en zelfs de PVV mogen horen is dat niet erg, zolang iedereen maar niet twee jaartjes langer hoeft door te werken.

Ik heb nieuws voor Kant, Jongerius, Wilders en kompanen: de Nederlanders van nu hoeven helemaal niet langer door te werken, de leeftijd wordt namelijk elk jaar één maand verhoogd, zodat zij pas over vierentwintig jaar werkelijk zevenenzestig bereikt. Maar dergelijke populisten doen voorkomen alsof het schandalig is de leeftijd op te schroeven. Onbegrijpelijk, zij doen dus liever niets en laten het systeem vastdraaien. Wilders zei dat Drees zich zou omdraaien in zijn graf als hij het gedoe over de AOW zou meekrijgen. Alleen die opmerking toont al aan dat Wilders van toeten noch blazen weet, als het gaat om het oorspronkelijke AOW-plan. “Tengels af van de AOW” en “behoud vijfenzestig” zijn dus frases die elkaar compleet tegenspreken!

En die arme, zielige mensen met zware beroepen dan? Er ligt een plan om te zorgen dat dergelijke mensen eerder kunnen uittreden dan mensen met lichte beroepen. Dat mag geen argument zijn. Maar er werken al zo weinig mensen van boven de zestig, waarom wordt daar niet iets aan gedaan? Natuurlijk wordt daar wat aan gedaan! Maar zoals Wiegel ooit zei: “Kinderen worden hier opgevoed in de politiek van de illusie”. Het is onhoudbaar te doen alsof dat soort maatregelen genoeg zijn om de AOW betaalbaar te houden.

Dan is er nog een argument: namelijk het feit dat jongeren steeds later de arbeidsmarkt betreden. Wat is er dan op tegen die mensen twee jaartjes langer door te laten werken, als ze toch al veel ouder worden? Prima, een stratenmaker die op zijn zeventiende begint kan best eerder stoppen, maar laten we van die twee jaar niet meer maken dan het is. Tegenstanders blazen het op tot gigantische proporties en wijzen vervolgens met hun belerende socialistenvingertje richting Frankrijk: “daar kan iedereen op z’n vijftigste uittreden”. Maar wat ze er niet bij vertellen, is dat in de Vijfhoek een collectieve lastendruk bestaat waar je U (mét een hoofdletter) tegen zegt. Dat land zit compleet vast, ondanks de verwoede pogingen van Sarkozy.

Maar Agnes Kant heeft een geweldig plan: laten we zorgen dat alle mensen die meer dan de Balkenende-norm verdienen lekker zestig procent belasting over dat laatste deel betalen. Bravo! Hulde voor dit uitermate vooruitstrevende plan! Laten we enkele tienduizenden mensen die toevallig maatschappelijk succes hebben, pesten door ze nóg meer geld af te troggelen. Over symboolpolitiek gesproken! In plaats van een verlate maatregel die al jaren geleden had moeten worden uitgevoerd (ook volgens Drees!), kiest mevrouw Kant ervoor om als een soort Robin Hood de rijken aan te pakken. Je zou in deze maatschappij toch eens succes hebben en deze salonsocialisten in de regering treffen. Geef dat drie jaar en alle rijken wonen ineens vlak over de grens.

Eind jaren zeventig was de lastendruk in Nederland zo zwaar, was de staatsschuld zo hoog, de werkloosheid zo immens, de verstarring zo enorm, dat we de collectieve sector hebben teruggedrongen. Met succes, het ging zo niet langer. En uitgerekend nu, in een financiële crisis, waarin men probeert één maatregel te nemen om de sociale zekerheid waar de SP en PVV zo aan hechten in stand te houden, begint men als een stel azijnzeikerds te neuzelen. Wat is dat toch met sommige populistische partijen? Elke hervorming wordt afgeschoten, elke verbetering gebagatelliseerd, elk idee weggehoond. Maar ondertussen glijdt Nederland af naar de middelmaat, naar de verstarring, naar de stilstand of zelfs de achteruitgang. En dan vraag ik mij altijd af: zou Drees zich dán niet omdraaien in zijn graf?

Column donderdag 10 september

Door: Martijn Samson

De Marseillaise als Belgisch volkslied? Only in Belgium!

“Sire, il n’y a pas des Belges”, zei een vooraanstaand diplomaat zonder blikken of blozen tegen de Belgische ‘Roi’ begin vorige eeuw. Het is een constatering die hout snijdt. Ik kan ter plekke geen enkel ander Westers land bedenken waar inwoners minder affiniteit mee voelen dan de Belgische  burgers met hun land. Dat viel Nederlanders nooit echt op: het land van Jacques Brel, Suske & Wiske, Tin-Tin, Pralinés en Jean-Claude van Damme werd door ons altijd bekeken als het achterlijke broertje van de familie, dat eigenlijk niet al te serieus genomen moest worden. Dat laatste valt te verdedigen, want België is aan het eind van haar Latijn.

Vlamingen zijn zuinige, harde werkers; Walen zijn Bourgondisch. Vlamingen praten niet, maar doen; Walen doen niet, maar praten. Vlamingen hebben een Germaanse cultuur; Walen een Romaanse. Vlamingen kennen teveel discipline; Walen teveel corruptie. Vlamingen zijn feminien; Walen masculien. Het is slechts een kleine greep uit de vele vooroordelen en verschillen die er onderling over Vlamingen en Walen bestaan. Het idee leeft dat de scheidslijn van de taalgrens, ook een cultuurgrens betreft. Maar voor de taal heeft de Vlaming hard moeten vechten.

Toen België als soevereine natie ontstond, werd het land volledig verfranst. Nederlands was een niet-erkende taal, omdat zij als zodanig ook weinig voorkwam. De Vlamingen spraken een veelvoud aan dialecten, maar het Frans begrepen eenvoudige Vlaamse arbeiders en boeren in elk geval niet. Daarbij was de Vlaamse elite francofoon. Bijna vijftig jaar heeft het geduurd, alvorens op z’n minst een vonnis van de rechter óók in het Nederlands kon worden voorgelezen; een wet die door diezelfde rechters gesaboteerd werd overigens.

In de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog hadden veel Vlamingen het niet minder moeilijk: zij stierven (net als vele anderen uiteraard) vaak een zinloze dood, daar ze de bevelen van Franstalige officieren niet konden verstaan. Ook in Belgisch-Kongo was het Frans verreweg het belangrijkst. De Walen, of de Franstaligen, konden deze positie handhaven als gevolg van hun economisch overwicht. Maar dat veranderde.

De Waalse economie verouderde, terwijl de Vlaamse zich in de jaren zestig niet moderniseerde tot een industriële, maar een dienstverlenende. Vlaanderen werd rijk en wilde zich uit de ketenen van de Walen bevrijden. Nederlands begon langzaam maar zeker een steeds vastere positie te genieten en ook werden de twee regio’s steeds meer autonoom. België werd een federatie, maar tevens één grote poppenkast.

New York telt een kleine tien miljoen inwoners, maar doet het met één burgemeester, ondergeschikten en wat raadsleden, waar voor datzelfde inwonertal in België zes regeringen, 537 parlementariërs, 59 bewindslieden, een boel andere flierefluiters en een man die zichzelf ‘premier van België’ durft te noemen, voor nodig zijn. Dat kan nooit goed bestuur voorstaan en dat doet het ook niet. België is na elke landelijke verkiezingen meer gedesintegreerd en minder bestuurbaar.

In welk land gebeurt het, dat de aankomende minister-president (destijds Yves Leterme) prompt de Marseillaise inzet als hem naar het Belgisch volkslied wordt gevraagd, waar hij niet eens weet wat de nationale feestdag inhoudt! In welk land heeft men diverse politieke partijen met exact dezelfde ideologie, alleen een verschillende taal? In welk land van tien miljoen inwoners betaalt het ene deel vele miljarden aan sociale zekerheid per jaar aan het andere, volgens sommigen zelfs meer dan West-Duitsland in Oost-Duitsland investeerde? In welk land wordt de grootste partij genegeerd alsof het lucht is, waardoor de meest rare politieke combinaties ontstaan? Welk Westers land is na een doodgewone verkiezing bijna anderhalf jaar zo goed als onbestuurbaar? In welk Westers land bemoeit een koningshuis dat apolitiek behoort te zijn, zich nadrukkelijk met de politiek om zelf in het zadel te blijven, waar het de taal van de meerderheid niet eens spreekt! ‘Only in Belgium’, was een imagocampagne van Guy Verhofstadt, maar het kan evengoed tegen hem gebruikt worden.

Een land dat zo goed als ontbonden is, een volk dat er geen zin meer in heeft, een koningshuis dat zich er niks van aantrekt: tijd om te scheiden. Ik geef België (in elk geval in haar huidige vorm) nog zo’n twintig jaar maximaal, voordat de gebiedsdelen uit elkaar vallen. Wat er dan moet gebeuren? Vlaanderen en Wallonië moeten zich in min of meerdere mate aansluiten bij respectievelijk Nederland en Frankrijk. Dat is geen extreme visie, hordes intellectuelen en minder intellectuelen hebben dat reeds betoogd. Binnenkort volgt erover een uitgebreid essay; als België dan überhaupt nog bestaat! Oh, en beste Yves: de Brabançonne is jullie volkslied. Maar voor ‘Le Roi, la Loi, la Liberté’ komt geen Belg z’n nest meer uit, terecht!

Column donderdag 3 september 2009

Liever blanke orde, dan zwarte chaos!

Als ik één land in de wereld zou moeten noemen, dat het toppunt van politieke correctheid belichaamt, dan is het wel Zuid-Afrika. En geef ze eens ongelijk, met het spraakmakende verleden dat ze daar kennen. Maar dat het er sinds 1994 eigenlijk niets anders is dan verkapt racisme, verwachten er minder. Racisme? De apartheid is toch afgeschaft? De blanke apartheid misschien, maar als je weet dat een blanke Zuid-Afrikaan een verblijfsvergunning voor Canada heeft gekregen, omdat hij “aannemelijk heeft gemaakt” dat hij in eigen land gediscrimineerd werd, klinkt de ‘regenboognatie’ toch al wat minder vrolijk. Wat is precies aan de hand?

Aangezien de mens zich in veel gevallen gedraagt als een puur egocentrisch wezen dat het liefst anderen het leven zuur maakt, is het niet verwonderlijk dat de zwarte Zuid-Afrikanen het er sinds de jaren negentig lekker van nemen. Jarenlang zijn ze onderdrukt en uitgemolken door verachtelijke gedegenereerde Hollanders en pretentieuze Britten die zich ‘Afrikaan’ durven noemen, waar de werkelijke Afrikanen alleen goed waren voor minderwaardige arbeid. Payback time!

Het ANC, de (zwarte) partij die in 1994 aan de macht kwam, kwekt constant over verzoening en het rechtzetten van fouten uit de apartheid en wat al niet meer. Dat klinkt natuurlijk erg nobel, maar is voor een Koos van der Merwe uit Kaapstad of een Preshant Patel uit Bloemfontein weinig realistisch. Dat soort (hypothetische) mensen merken dagelijks hoeveel kans ze maken aan flarden geschoten te worden, niet om hun geld, maar om hun afkomst. Volgens het ANC speelt ras geen rol meer, maar zwarten krijgen voorrang bij het vinden van een baan. Dat is een tegenstrijdigheid van hier tot.. Johannesburg. Dat heet omgekeerde apartheid.

De beste man die in de inleiding ter sprake kwam is maar liefst zeven keer overvallen, waarbij hij werd uitgescholden voor “witte hond” en nog wat van die termen. Om de situatie globaal te schetsen: zo’n tachtig procent van Zuid-Afrika is zwart – onder te verdelen in Zulu, Xhosa, en een groot aantal anderen – tien procent is blank, acht procent gemengd en drie procent is Indiër. Van de blanken is het grootste deel van Nederlandse afkomst en noemt zich ‘Afrikaner’. Dankzij de anarchie waarin het land af en toe terecht lijkt te komen, hebben zo’n miljoen blanken het land ondertussen verlaten. Een beetje regering probeert dat te stoppen, zo niet de Zuid-Afrikaanse die bij monde van een minister zei: “in plaats van constant te zeuren, kunnen ze ook gewoon vertrekken”*. ‘Ze’ refereert hier natuurlijk aan de blanken, al zeggen ze dat liever niet hardop. Een regering die haar eigen staatsburgers verzoekt op te rotten omdat ze kritiek uiten, you couldn’t make it up! Verkapt racisme.

En alsof de blanke braindrain nog niet genoeg is, wordt het méést succesvolle land van Afrika ook nog eens overspoeld door vluchtelingen uit het mínst succesvolle land van het continent. Buurland Zimbabwe kende ooit ook apartheid. Maar Robert Mugabe, halve gare bij uitstek, moet één ding nagegeven worden: hypocriet gelul over verdraagzaamheid vindt hij maar niks, hij trapte de blanken er zonder pardon uit. Dat was natuurlijk niet zo slim, want daardoor verdween alle kennis en al het geld, waardoor miljoenen radeloze Zimbabwanen hun heil nu zoeken in de grote steden van Zuid-Afrika. Maar kritiek op Mugabe durft het ANC nauwelijks te uiten. De beste man heeft immers tegen de apartheid gestreden, dus dat legitimeert kennelijk alle vervolgacties.

Ik zou bijna de leiding van het ANC vergeten: de nieuwe president, Jacob Zuma, wil de verkeerde zaken rechtzetten. Daarbij moet je even uit je hoofd zetten dat de man verdacht wordt van verkrachting, maar toevalligerwijs aan de rechtszaak ontkomen is, diverse corruptieschandalen op zijn naam heeft staan, openlijk polygaam is en er dus een stuk over zeven vrouwen op na houdt en als klap op de vuurpijl verkondigde – nadat hij onbeschermde seks had gehad met een nogal jong meisje – “Ach, ik heb een douche genomen, dus ik zal geen aids krijgen”. Welkom in Afrika.

Pleit ik voor herinvoering van de apartheid? Nee, en dat terwijl er zelfs zwarten zijn die er wèl voor pleiten. Blank racisme is fout, maar zwart racisme evengoed. Ik merk alleen op dat het toch wel erg frappant is, dat zo ongeveer het enige succesvolle land in ‘zwart-Afrika’, het land is waar tien procent van de bevolking blank is. Alle notoire blankenhaters die het liefst de blanken terug zien zwemmen richting Nederland en Engeland, moeten zich misschien realiseren dat blanke orde toch handiger is dan zwarte chaos. Daarom snap ik de vroegere angst van veel witte Afrikaners voor ‘die swarte gevaar’ wel. Kijk maar naar Zimbabwe!

*Zie ook: http://www.youtube.com/watch?v=WwXSIDp3RSM

Even voorstellen: columnist Martijn

Ik ben Martijn Samson en ik ben allergisch voor domheid. Om me heen zie ik een hele hoop dingen die me verbazen, verbijsteren en verrassen. Als geschiedenisstudent ben ik in staat veel van die zaken te verklaren of te relativeren. Soms zelfs laat het me inzien dat iets niet te begrijpen valt. De onnavolgbare idioterie die sommigen tentoonstellen als het gaat over religie, Hitler, apartheid, Chávez of wat dan ook, doen mij als vanzelf naar de spreekwoordelijke pen grijpen, om een verhitte reactie te schrijven. Dat is precies wat ik hier hoop te doen. Schroom niet te reageren, discussie kan nooit kwaad!


In samenwerking met Shopping5 en FavShop
Schoenen