EEN VERSTANDSHUWELIJK VOL RUZIE TEN EINDE
Door: Martijn Samson
“Van mekaar meugen ze niet, bij mekaar deugen ze niet”. Zo sprak ooit de allereerste VVD-leider Pieter Oud, toen hem gevraagd werd naar de verhouding tussen christenen en sociaaldemocraten. Ook dit keer heeft het Rood-christelijke verstandshuwelijk geen stand gehouden. Het vierde kabinet van Balkenende in acht jaar, viel over een relatief pietluttig onderwerp. We schrijven de ergste economische crisis in tachtig jaar en onze regering valt door politieke spelletjes.
Sinds de Tweede Wereldoorlog is het een aantal keer geprobeerd, maar slechts in twee gevallen haalde een Rood-christelijke coalitie de eindstreep: onder leiding van de grote PvdA-voorman Willem Drees en in het derde kabinet van Ruud Lubbers. Waarom verloopt dit soort kabinetten zo moeizaam?
Het CDA – en haar voorgangers – zijn gematigd rechts, de PvdA bevindt zich links van het midden. Op economisch vlak levert dit als vanzelf de nodige spanningen op. In het laatste kabinet Balkenende draaiden crises niet zelden om de economie: de verhoging van de AOW-leeftijd, de versoepeling van het ontslagrecht, de beperking van de hypotheekrenteaftrek en het gepruttel dat volgde op de kredietcrisis, zijn daar slechts enkele voorbeelden van.
Ook met betrekking tot veiligheid en integratie komen sociaaldemocraten en christendemocraten de laatste jaren lang niet altijd overeen. Ten tijde van Lubbers III viel de minderhedenproblematiek nog te ontkennen door alles onder de mantel van het multiculturalisme te vegen, maar dat is tegenwoordig niet meer mogelijk. Het CDA hecht belang aan de Nederlands identiteit en de rol van het christendom daarbinnen; onderwerpen die bij veel PvdA’ers nog altijd tot scheve blikken leiden.
Ter ontkenning van dergelijke argumenten wordt vaak verwezen naar de Paarse kabinetten. Ook deze waren immers opgebouwd uit ondermeer de rechtse VVD en de linkse PvdA. Het verschil is dat wanneer het gaat om ethische kwesties, het liberalisme en de sociaaldemocratie elkaar vinden. Weliswaar heeft ook de PvdA een aanzienlijke christelijke vleugel – zelfs Wouter Bos stamt uit een gereformeerd gezin – met betrekking tot ethiek spreken PvdA en CDA verschillende talen.
Voordat dit kabinet goed en wel geboren was, werd de grafsteen al gelegd. CDA en VVD waren uitgeregeerd, er waren weinig problemen en de economie draaide goed. Als het zo zou doorgaan, kon het kabinet de eindstreep gemakkelijk halen, moeten Bos, Balkenende en Rouwvoet in Beesterzwaag gedacht hebben. Het moment dat zich problemen voordeden, stond het kabinet direct onder spanning. De problemen in de regering leken geregeld groter dan die in het land. Dat zegt – zo vlak voor de gemeenteraadsverkiezingen – het nodige over het huidige politieke klimaat.
Grote kanshebber de verkiezingen te winnen is vanzelfsprekend Geert Wilders. Toch valt te betwijfelen of zijn aanwezigheid een grote impact heeft op het volgende kabinet. Buiten het feit dat burgers in crisistijd vaak geneigd zijn vlak voor de verkiezingen terug te trekken naar de traditionele partijen, is het zeer de vraag wie met de PVV een coalitie wil vormen. Volgens éminence grise Bolkestein (VVD) en oudgediende Lubbers (CDA) zitten de desbetreffende partijen geenszins te wachten op een coalitie met Wilders. Driestromenland stroomt leeg, maar niet zonder slag of stoot.
Wilders – die zich ongetwijfeld bewust is van deze netelige situatie – gaf daarom recentelijk aan graag gedoogsteun te willen geven aan een minderheidskabinet van CDA en VVD. Daarbij verwees hij naar Denemarken, waar het centrumrechtse kabinet al jaren gedoogsteun krijgt van de Deense Volkspartij; het Deense equivalent van de PVV. Toch lijkt zelfs een CDA-VVD-PVV-coalitie geen meerderheid te halen. Daar ontwaart zich het werkelijke probleem.
Als we opiniepeiler Maurice de Hond mogen geloven, halen de zeven grootste partijen op dit moment een zetelaantal dat varieert van zevenentwintig tot dertien. Welke partij ook de grootste wordt, een kabinet formeren lijkt moeilijker dan ooit. Dit effect wordt nog versterkt door het groeiende D66. Haar succes is mede te danken aan het feit dat ze de PVV met man en macht bestrijdt. Kennelijk kunnen de zeven grootste partijen het onderling totaal niet vinden. Een kabinet met vier partijen is allesbehalve ondenkbaar, maar evengoed allesbehalve wenselijk.
Het huidige kabinet functioneerde niet. Het aantal slappe compromissen was dusdanig hoog, dat van een solide coalitie geenszins sprake was. Wie met dit gegeven in het achterhoofd naar de peilingen kijkt, wordt hoe dan ook overvallen door een gevoel van politieke moedeloosheid. Wellicht zal een partij als de PVV daar garen bij spinnen, het toont niettemin aan dat daarvan weinig te vrezen valt. Zou iemand deze chaos vijftien jaar geleden hebben zien aankomen? Pim Fortuyn schreef over De puinhopen van acht jaar Paars, maar als hij had geweten wat daarna volgde, zou hij Paars vast zo gek nog niet hebben gevonden. Door het fenomeen van de zwevende kiezer, is het zinvol te filosoferen over iets als een kiesdrempel. Niemand zit immers te wachten op nog een verlamd kabinet.
